ANTISEMITISME : doctrine van systematische vijandige houding en haat tegenover de joden op godsdienstig, sociaal-economisch, sociaal-politiek en etnisch-racistisch vlak. De term antisemitisme steunde op een lange katholieke traditie en werd pas gebruikt vanaf de 19e eeuw toen het antijudaïsme* (“de jood haten voor wat hij niet is”) evolueerde naar een antisemitisme(“de jood haten voor wat hij is”) . Maar de anti-joodse theorieën vonden reeds hun oorsprong op kristelijk-religieus niveau ten tijde van het Romeinse Rijk, de joden hadden immers , volgens het evangelie van het christendom , Jezus Christus vermoord. In de middeleeuwen voerde de kerk in Europa een sterke propaganda tegen de joden, zij waren de verpersoonlijking van het kwaad en een gevaar voor de mensheid. Daarbij kwam nog een economisch facet, de joden speelden in de middeleeuwen een rol die voor christenen ontoelaatbaar was. Omdat het toen verboden was dat joden grond bezaten, richten ze zich op het voor de christenen verboden speculeren, zoals het lenen van geld met rente en ze gingen dan ook door als woekeraars en gierigaards en werd hun negatieve beeld nog versterkt. Na het 4e Lateraans concilie in 1215 werden de joden verplicht een merkteken (een rode of gele ronde schijf) op hun borst te dragen. In bepaalde grote steden werden de joden afgezonderd in een gebied (getto), waar zij alleen, mochten en moesten verblijven en als het ware geïsoleerd werden van de rest van de bevolking. Met de steun van de Kerk werden vanaf het begin van de 13e eeuw, de joden door de christenen aangevallen. In de 13e eeuw werden de joden uit Engeland verdreven en werden ze in 1348-1349 verantwoordelijk geacht voor de pest. In de 15e volgde hun verbanning uit Spanje en Portugal en in 1543 publiceerde de antisemitische rebelse monnik van Wittenberg, Maarten Luther, een pamflet “over de joden en hun leugens”.

Van li. naar re. : joden in de middeleeuwen, gestigmatiseerd met hun typische puntige hoed en hun ronde merkteken. De zwervende jood, door iedereen vervloekt en nergens welkom. Houtsnede van joden op de brandstapel uit de 15e eeuw.
In de periode van de Verlichting merkte men een tolerantere opstelling tov. de joden en kregen ze de kans zich in de maatschappij te integreren. Na de Franse revolutie van 1789 verwierven ze door het gelijkheidsideaal, burgerrechten. Ze bekleedden belangrijke maatschappelijke functies, hoge posities in het bankwezen, speelden een belangrijke rol in de handel en werden actief in de academische wereld. Op verschillende gebieden brachten ze een revolutie in de menselijke kennis teweeg, maar ondanks hun assimilatie bleef een smeulend antisemitisme bestaan. In de tweede helft van de 19eeeuw ontstonden, aangewakkerd door vooroordelen en stereotypen tegen de joden, naast het religieus en socio-economisch getinte antisemitisme, politieke en raciale aspecten tegen de joden : ze werden aanzien als kapitalistische parasieten van de staat, waren de onruststokers bij socialistische en communistische revoluties en agitaties en het jodendom werd bestempeld als een morele verdorvenheid waarmee de rest van het volk besmet werd. Dit werd aanzien als een bedreiging voor het Kristelijke Westen en een manipulatie om de wereldheerschappij te veroveren. In dezelfde periode ontstonden pseudowetenschappelijke theorieën met racistische en etnische kenmerken tegen de joden, ze werden beschouwd als een inferieur ras en bovendien gebruikten ze de economie en het bankwezen om zich op de rug van anderen te verrijken. Deze theorieën kregen bijval in Frankrijk, zoals bij de affaire rond de Frans-joodse kapitein Alfred Dreyfus(1859-1935), die in 1894 valselijk beschuldigd werd van spionage in het Franse leger voor Duitsland. In Duitsland, Oostenrijk en vooral in Rusland vonden pogroms plaats tegen de joden. In Rusland in 1881-83, na de moord op tsaar Alexander II en tussen 1903-05 en bij de Russische pogrom in Odessa in 1905, vielen meer dan 1.000 doden. Gedurende de tweede wereldoorlog baseerde de nazi-ideologie zich op dezelfde grondslagen , maar dan gepaard aan enge raciale opvattingen om het elimineren van bijna 6 miljoen joden te verantwoorden. Deze nazi-optiek werd gevoed door de waan van het bestaan van een superieur Arische ras (het “Herrenvolk”) tegen de minderwaardige rassen, zoals de joden (als zogenaamde “Untermenschen”). Tijdens het nazi-regime werd een vijandbeeld van de jood gecreëerd met een totale en extreme polarisering. ”De jood, was de schuld van de oorlog”. Vooral eenvoudige beeldspraak was hierbij zeer belangrijk, het jodendom werd voorgesteld als ongedierte, ratten, parasieten, ziekteverwekkers, een kankergezwel en onkruid dat moest verdelgd worden. Daartegenover stond het raszuivere Duitse en gezonde volk. Dit gaf de nazi’s de schijnbaar logische en legitieme oplossing, dat de jood moest uitgeroeid worden. In de “wij en zij”- logica : wij de goede Germanen en zij de slechte joden, bestond de grote en vaste Duitse volksgemeenschap, met zijn rituelen, symbolen en massabijeenkomsten (waar elke Duitse wilde bij horen), terwijl de jood gedemoniseerd, gestigmatiseerd, gecriminaliseerd en gedehumaniseerd werd. Door haar medeplichtigheid en het oogluikend toelate van misdrijven tegen de joden, gleed het Duitse volk stapsgewijs af naar, in hun ogen, wettelijk genocidaal geweld.

Kapitein Dreyfus bij het verlaten van het tribunaal te Rennes en rechts, slachtoffers van een pogrom in Rusland.



In Duitsland werd door de nazi-partij jong en oud met het antisemitisme geïndoctrineerd. Zelfs in kinderboeken en tekenfilms kwam antisemitisme aan bod.
NB 1 : sinds de 4e eeuw NC kan men in de wereldgeschiedenis drie grote evoluties waarnemen in het antisemitisme. Vooreerst waren er de kristelijke ideeën die de joden via missionarissen verplichtten zich te converteren tot het kristendom met als Leitmotiv : “ jullie hebben niet het recht naast ons te leven, zolang jullie jood blijven”. Een tweede fase was de uitstoting door seculiere leiders met als motief : “jullie hebben niet het recht naast ons te leven”. Tenslotte kwamen de Duitse nazi’s met de judeocide en de leuze : “jullie hebben niet het recht te leven”.
NB 2 : een anekdote laat zien hoe de rassenpolitiek van de nazi’s irrationeel overkwam. Hitler was zoals elke dictator erg gesteld op het zich laten fotograferen in het bijzijn van kinderen, en ter gelegenheid van zijn 44e verjaardag (op 20 april 1933), verbleef hij op de Obersalzberg (huis Wachenfeld) en begroette er traditiegetrouw de mensen die voor zijn huis waren samengetroept. Tussen hen ontdekte Hitler een klein blond “Arisch” meisje met blauwe ogen, Bernile Nienau (° 1926 – † 1943 , overleden aan polio) uit München. Hij pikte het kind uit de menigte en nodigde haar uit in zijn huis aardbeien met slagroom te eten. Dit was het begin van de zoveelste mythe in het Derde Rijk met Hitler als kindervriend. Het feit werd uitgebuit door de propaganda, en de kleine Berni zou later samen met de Führer op verschillende foto’s en postkaarten te bewonderen zijn. Nadien bezocht ze nog regelmatig haar “oom” Hitler op de Obersalzberg en bleef met hem corresponderen tot in 1938. De ironie van het verhaal wil dat op 19 april 1938 Hitler door de geheime Duitse dienst op de hoogte werd gebracht dat de grootmoeder van kleine Berni een jodin was en zijzelf tweede-graads-half-jodin. De verspreiding van de duizenden exemplaren van de lieve “oom” met kind, werd stopgezet…

A.Hitler met de kleine “joodse” Berni.
•IN BELGIË : in de 4e eeuw waren individuele joodse handelaars aanwezig in de streek van Tongeren en Doornik. Officieel werden in het begin van de 13e eeuw de eerste sporen van een joodse “gemeenschap” in ons land teruggevonden (in Leuven in 1220). De pestepidemie die onze regio’s teisterde in het midden van de 14e eeuw werd aan de joden toegeschreven, zij zouden immers waterbronnen en putten vergiftigd hebben om de christenen uit te roeien. Dit leidde tot pogroms tegen de joden met als hoogtepunt de vervolging nav. het mirakel van het Heilig Sacrament te Brussel in oktober 1396. Toen zouden volgens de legende, de joden uit de H.Catharinakerk hosties gestolen hebben en doorboord hebben, zodat ze begonnen te bloeden. Zes joodse families kwamen hiervoor in Brussel op de brandstapel terecht. Het anti-judaïsme in onze regio’s werd een feit. Zoals elders in West-Europa duurde het in ons land, tot op het einde van de 18e eeuw vooraleer de joden getolereerd werden en konden opklimmen op de maatschappelijke ladder. In 1808 erkende Napoleon de Israëlitische cultus. Van bij het begin van het koninkrijk België (in 1830) speelden de 1000 à 1.500 aanwezige joden een voorname rol in het beleid en de economie van ons land. Zo leende de joodse familie Rothschild geld aan de jonge Belgische staat, terwijl belangrijke bankinstellingen (de Bank van Brussel -Lambert) door joden werden gesticht. Koning Leopold II kon bij zijn koloniale ondernemingen in Kongo rekenen op grote financiële joodse steun. De Russische pogroms en razzia’s tegen joden in 1881-1883 en 1903-1905 zorgden voor een eerste grote immigratiegolf naar ons land vanuit Oost-Europa (met oa. veel Polen), met een heropleving van antisemitisme en haat tegen de joden als gevolg. De joden uit Oost-Europa zochten veiliger oorden op in het tolerantere West-Europa, maar het ging hierbij vooral om arme mensen, die eens in ons land, bereid waren om aan zeer lage lonen te werken. Dit zorgde voor een concurrentie op de arbeidsmarkt waarbij het antisemitisme in ons land werd aangescherpt. In het Antwerpse werden vele joodse (Poolse) immigranten actief in de handel. Dit alles nam niet weg dat, gebaseerd op het oude anti-judaïsme (“de joden waren de moordenaars van Kristus”), vooral in kerkelijke kringen een voedingsbodem voor antisemitisme bleef bestaan. Van 1881 tot 1924 emigreerden 3.648.500 joden uit Oost-Europa, de meesten naar Amerika (2.650.000), maar toen de USA in 1924 zijn grenzen sloot, en dit fenomeen gevolgd werd door Groot-Brittannië en later door Duitsland, kwamen meer om meer joden terecht in België, Nederland en Frankrijk. Zodat in ons land tussen 1925 en het begin van de jaren 1930 een tweede grote immigratiegolf van Oost-Europese joden te noteren viel. In deze periode drongen antisemitisme en xenofobie in België pas “goed” door. Als oorzaken kan men de economische crisis, het ontstaan van Nieuwe Orde bewegingen, de politieke polarisatie, de opkomst van het nazisme in Duitsland en het toegenomen aantal joodse vluchtelingen aanhalen. De economische crisis van de jaren 1930 was niet bevorderlijk voor verdraagzaamheid, joodse immigranten kwamen het werk van de autochtone bevolking inpikken, ze vormden een concurrentie en bedreiging voor onze eigen arbeidsmarkt, ze betaalden weinig belastingen en ontdoken de sociale wetgeving. Maar tot begin van de jaren 1930, kan men stellen dat georganiseerd antisemitisme in België afwezig bleef. In 1933 vonden echter te Antwerpen de eerste anti-joodse voordrachten van het Verdinaso en het Nationaal Legioen plaats. En in de periode 1933-35 constateerde men de eerste antisemitische rellen in de havenstad en kon men duidelijk spreken van een anti-joodse sfeer onder een relatief groot deel van de Antwerpenaren.
Toch is het opvallend dat het Vlaams-nationalisme, langer tolerant bleef tegenover de joden dan het Belgisch-nationalisme en de katholieke kringen. Reeds in de jaren 1920 merkte men in reactionaire Belgische katholieke kringen de eerste tekenen van antisemitisme, zij het dan nog niet algemeen, want men maakte een onderscheid tussen “goede joden” en “slechte joden” . Tot de eerste groep behoorden de joden van Belgische nationaliteit en vooral zij die tijdens WO I hun land hadden gediend en die geen linkse sympathieën vertoonden. In die tijd was een groot deel van de Belgische bevolking praktiserend katholiek en de kerk speelde een grote rol in het politiek en sociaal leven. Met dit gegeven verbaast het ons niet dat een zekere vorm van anti-joods gevoel doordrong tot het groot publiek, voor de katholieke kerk hielden de joden immers het gevaar in van een anti-kristelijk, rood en links front in ons katholiek vaderland. Dat het antisemitisme bijna gemeengoed was geworden in de politieke wereld en niet alleen aan rechtse of katholieke partijen kon toegeschreven worden, bewijst de hieronder weergegeven verkiezingsaffiche van de Franstalige socialistische partij uit 1935. De socialisten ageren tegen de regering van bankiers, en op de prent wordt de bankier voorgesteld als een jood.

In de jaren 1930 verscheen het anti-joodse aspect ook in Vlaams-nationale kringen (vooral in het Antwerpse) en dan vooral door de sterke toename van joodse immigranten. De Vlaams-nationalisten maakten daarbij een verschil tussen joden die Vlaams praatten en zij die de taal niet machtig waren. De katholieken maakten ook een onderscheid tussen bekeerde en niet-bekeerde joden. De joodse vluchteling die in ons land terecht kwam was meestal niet welkom, hij geraakte moeilijk aan een verblijfsvergunning, werd ingeschreven in het vreemdelingenregister of werd naar zijn land van herkomst teruggestuurd. Opmerkelijk was het feit dat in deze periode de standpunten van de partijkatholieken en de Nieuwe Ordegezinde Vlaams-nationalisten, zeer nauw naast mekaar stonden ivm. antisemitisme. De Belgische katholieke kerk reageerde wel op het Duits fysisch geweld tegen de joden in 1938 (Kristallnacht*), maar langs de andere kant keurde ze de door Hitler genomen anti-joodse maatregelen in Duitsland stilzwijgend goed. Zo ziet men dat in België, voor de oorlog, het antisemitisme gevoed werd door godsdienstige, politieke en sociaal-economische factoren. Het raciaal facet kwam nagenoeg op dat moment niet tot uiting en vond enkel bijval bij een minderheid van de bevolking met als voorbeeld de in 1937 te Antwerpen ontstane antisemitische beweging Volksverwering*. De joden, die in het begin van de bezetting in ons land verbleven, waren voor 90% Oost-Europese immigranten of vluchtelingen uit Duitsland. Velen onder hen werden in de meidagen van 1940 door de Belgische staatsveiligheid opgepakt en naar Frankrijk weggevoerd.
NB : we willen er nogmaals op wijzen dat het antisemitisme in ons land tijdens de 20e eeuw, oorspronkelijk geen Vlaamse, maar een Belgische aangelegenheid was .Het waren de Belgische nationalistische bewegingen en rechts-katholieken, die kort na WO I, de joden als woekeraars en Kristusmoordenaars aan de kaak stelden en beschimpten. Wel was het zo dat het Belgisch-nationalisme zich distantieerde van het latere biologisch antisemitisme en van nazi-Duitsland.

Belgische antisemitische karikaturen van voor WO II : joden voorgesteld als “de sprinkhanenplaag” door het NACO* , het katholieke Hooger Leven verwijt C.Huysmans van Antwerpen zijn pro-joodse houding, La Libre Belgique (van 18 december 1938) drijft de spot met de illegale toestroom van joden in ons land en Rex schildert in 1939 de jood af als een armzalig figuur dat na een paar jaren in België stinkend rijk werd (niets was minder waar, want in werkelijkheid bleef het overgrote deel van de joodse vluchtelingen straatarm).

Antisemitisme in België uit 1938.Antijoodse propaganda in Antwerpen (oa. Volkse Aanval van 19 oktober 1940).

Antijoodse verordening uit Verviers en uit Antwerpen. De eerste verordeningen tegen de joden (1940) werden in de collaborerende kranten, Volk en Staat (van 6 november 1940) en Le Soir (van 7 november 1940) met enthousiasme onderschreven.

Tijdens de bezetting van ons land verspreidden de Duitsers affiches om de schuld van de oorlog in de schoenen van de joden te schuiven. De vertoning van de Duitse antisemitische film : De eeuwige jood, werd sterk gepropageerd.