ALGEMENE RIJKSPOLITIE (ARP) : door het Belgisch ministerie van Binnenlandse Zaken, per wet van 25 juni 1934, opgerichte dienst om toezicht te houden op de openbare ordehandhaving in ons land. De ARP werd door de burgemeesters gezien als een bedreiging voor de gemeentelijke autonomie. Vanaf oktober 1941 werd collaborateur en rijkswachtofficier A.Van Coppenolle*, door secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken G.Romsée* aan het hoofd van de ARP benoemd. Samen met de bezetter zou hij tijdens de bezetting , de ARP ontwikkelen en reorganiseren tot het centrum van de politiehervormingen in de zin van de Nieuwe Orde. Alle politiediensten (ook de rijkswacht), met uitzondering van de gerechtelijke politie , werden in de ARP ondergebracht. De bezetter wilde via de ARP meer invloed krijgen op de gemeentepolitie, maar deze strategie mislukte. De ARP stond in voor de school voor politieofficieren in Tervuren, de wervingen van rijkswachters en gemeentepolitie, het naleven van de taalwetten binnen het ARP, de oprichting van politiescholen, de eenmaking van de politie in de grote agglomeraties en de oprichting van de Stafcompagnie* van de rijkswacht om de strijd aan te gaan tegen het banditisme en om belangrijke personen uit de collaboratiekringen te beschermen.
NB : de ARP werd in de praktijk vooral ingezet in samenspraak met de Gestapo in de strijd tegen het communistisch verzet.