Home

A /
ADMINISTRATIE

ADMINISTRATIE

ADMINISTRATIE : volgens de Conventie van Den Haag van 1907, waren de ambtenaren van een bezet land verplicht samen te werken met de bezetter, zolang de bezettende maatregelen, niet in strijd waren met de grondwet van het land. E.Reeder* van het MB te Brussel kreeg echter in de loop van de bezetting een zeer lage dunk over de Belgische administratie, die volgens hem te formalistisch was en teveel gebonden was aan de Belgische grondwet. Bij het verlaten van ons land in mei 1940 hadden de ministers hun functies overgedragen aan de hoogste ambtenaren van elk ministerie, de secretarissen-generaal*. Zij waren vanaf dat moment, volgens artikel 5 van de besluitwet van 10 mei 1940, de belangrijkste centrale overheid in België. Hun taak was niet eenvoudig, zeg maar ondankbaar, ze moesten rekening houden met de behoeften van de bevolking en tegelijkertijd voldoen aan de opgelegde eisen van de bezetter. De laatste ministerraad van 14 mei 1940 gaf hen geen duidelijke richtlijnen ivm. hun verantwoordelijkheid, hun grondwettelijkheid en nog veel minder met het bepalen van de politieke en bestuurlijke beslissingen die tijdens de afwezigheid van de regering en het parlement dienden genomen te worden. Deze confuse situatie verklaarde de “struisvogelpolitiek”, het ontbreken van directieven aan hun ondergeschikten en het afschuiven van verantwoordelijkheid op hun collega´s, als de meest toegepaste manieren van hun “beleidsvoering”. Gedurende de bezetting werd het evident dat de secretarissen-generaal niet opgewassen waren tegen de enorme taak die men van hen verwachtte. En dit alles zonder enige politieke dekking en dikwijls op de rand van de wettelijkheid. Burgemeesters en gemeentepolitie werden aan hun lot overgelaten, niemand gaf hen onderrichtingen, in het burgerlijk mobilisatieboekje* stond vermeld : “bij twijfel , richt U tot Uw overste”, maar de overste deed alsof hij niets gehoord had! . Alhoewel het burgerlijk mobilisatieboekje het anders voorschreef, waren tijdens de Achttiendaagse Veldtocht van mei 1940,  vele kaderleden uit de administratie, provinciegouverneurs, burgemeesters en schepenen het land ontvlucht als zogenaamde postverlaters*. Ze lieten de achtergebleven collega´s en bevolking in de steek en aan hun lot over, zodat de eerste weken van de bezetting, de administratie van gemeenten en steden afgestemd was op zuivere improvisatie. Men stond voor de grote taak dringende problemen over het ganse land aan te pakken : voedselvoorziening , ravitaillering , energie-en watertoevoer , vernielde huizen , bruggen , spoorwegen en telefoonverbindingen, kortom alles was buiten werking. Hoewel de bezetter niet absoluut het recht van het bezette land hoefde na te leven, moest hij in theorie wel het internationaal recht respecteren zoals oa. het eerbiedigen van de private eigendom (het niet verbeurd verklaren ervan), het eerbiedigen van de godsdienstige overtuiging en de uitoefening van erediensten. Maar tijdens de bezetting zullen de Duitsers het internationaal recht aan hun laars lappen en regelmatig schenden. De bezetter wilde niet dezelfde fout maken als in WO I , en liet de administratie (onder zijn toezicht wel te verstaan), zoveel mogelijk in Belgische handen, zo spaarden de Duitsers veel personeel en manschappen uit. De grote problemen, van net na de Belgische capitulatie van 28 mei 1940, zoals de enorme werkloosheid en de voedselvoorziening werden, om ze op te lossen, door de bezetter bewust doorgeschoven naar de toenmalige verantwoordelijke beleidsmensen in ons land zelf. De bezetter zocht hiervoor oorspronkelijk toenadering tot de traditionele Belgische machten en niet tot de mogelijke collaboratiepartijen. Zoals reeds hoger vermeld , had Reeder geen hoge dunk van de Belgische administratie en hij zou dan ook tijdens de bezetting, zeer behendig en sluw tewerk gaan om onbetrouwbare elementen binnen het administratief kader te verwijderen en te vervangen door Duitsgezind personeel. Maar hij ging hierbij in het begin van de bezetting althans, zeer behendig te werk, om de bevolking niet af te stoten, verving hij de onbetrouwbare elementen in de administratie niet onmiddellijk door ultra-collaborateurs, maar eerder door personen, die de Nieuwe Orde goed gezind waren. Op 12 juni 1940 sloot het Duitse Militair Bestuur een akkoord met de secretarissen-generaal om de wijze van samenwerking met hen vast te leggen. Daarin werd gestipuleerd dat de Duitse besluiten en verordeningen onder het oorlogsrecht vielen en door de secretarissen-generaal met kracht van wet dienden opgevolgd en meegedeeld aan de bevolking en dat alle wettelijke voorschriften genomen door de secretarissen-generaal, vóór hun publicatie dienden voorgelegd aan Militärverwaltungschef Reeder. Vanaf de zomer 1940 hervatte de Belgische administratie spoedig haar werking, ze werd in de samenwerking met de bezetter en in haar meegaande houding gemotiveerd door pragmatische redenen. Vooreerst was er de precaire toestand waarin ons land zich bevond : naast de reeds aangehaalde factoren waren er ook de problemen van de werkloosheid , de vluchtelingen, de verhoging van de prijzen, de financiering van de administratie en de economie die compleet verlamd was. Bovendien leek de overwinning van de Duitsers in de zomer 1940 een vaststaand feit en lag een lange bezettingsperiode in het verschiet. Zowel onze administratie als de Duitsers hadden hetzelfde objectief : de economie zo rap mogelijk terug te doen functioneren. Wat betreft de voedselvoorziening was België volledig afhankelijk van Duitsland en deze toestand werd door de bezetter gedurende het ganse verloop van de bezetting uitgebuit om onze autoriteiten ertoe aan te zetten en onder druk te zetten om aan het Duitse gezag te gehoorzamen. De administratie diende zich aan te passen, zich te accommoderen aan de bezettingstoestand. In deze context ontstond een aanwezigheidspolitiek en een beleid van het “minste kwaad”* (om erger te voorkomen ) waarin de Belgische administratie poogde in de mate van het mogelijke onze eigen belangen te beheren. Zoals we reeds hoger vermeldden greep de bezetter handig in om het administratief personeel te zuiveren. Met de verordening van 18 juli 1940, zorgde het MB voor een juridische basis om de ambtenaren die in mei 1940 hun post hadden verlaten, maar krachtens een beslissing van een Belgische onderzoekscommissie weer in dienst mochten treden, toch uit de administratie te verwijderen. Artikel 2 van de verordening gaf het MB het recht een vetorecht uit te spreken tegen zij die terug hun functie hadden opgenomen, en onnodig te zeggen dat ze hier veel gebruik van maakten. In de zomer van 1940 ging het grootste deel van de bevolking hiermee akkoord , aangezien ook in hun ogen de postverlaters, hun tijdens de Duitse inval in de steek hadden gelaten en niet zomaar het recht hadden in hun functie terug te keren. Artikel 3 van de verordening ging echter nog een stap verder, dit hield het MB het recht voor, om zij die wel op hun post waren gebleven, de uitoefening van hun ambt ook te kunnen verbieden. Van bij het begin maakten de Duitsers ook duidelijk wie de touwtjes in handen had in de hogere overheidsinstanties, met een fundamenteel ingrijpen eiste de bezetter reeds vanaf 1 augustus 1940 duidelijke wijzigingen in het comité van de secretarissen-generaal : de departementen van voedselvoorziening en ravitaillering werden samengevoegd onder het ministerie van landbouw, het ministerie van volksgezondheid werd afgeschaft, er ontstond een commissariaat voor het beheer van prijzen en lonen en tenslotte werd het ontslag bevolen van secretaris-generaal baron J-C.Snoy, want hij was voor het MB te Belgicistisch. Later kwamen nog andere instanties tot stand zoals : controle op de arbeidsregeling en de NLVC*. Ten opzichte van vóór de oorlog kreeg het ministerie van Binnenlandse Zaken veel meer departementen onder zich : volksgezondheid, rijkswacht, controle- en inspectiediensten, administratieve rechtspraak etc.De bezetter eigende zich eveneens vanaf 10 januari 1941 het recht toe burgemeesters buiten de gemeenteraad en dus niet democratisch verkozenen, te benoemen. In het eerste bezettingsjaar werden 615 personen uit hun administratieve functie ontzet en vervangen door voor de Duitsers betrouwbare individuen. Belangrijk in de Duitse optiek was de invoering van het “leidersprincipe”, op lokaal vlak hield dit in de praktijk in : het buiten spel zetten en afschaffen van de gemeenteraden en een uitbreiding van de bevoegdheid van het schepencollege en de burgemeesters. Er werden geen verkiezingen meer gehouden met een uitschakeling van de democratie als gevolg. Om de administratieve zuivering nog verder te kunnen doorvoeren, vaardigde het MB op 7 maart 1941 de verordening uit ivm. de zogenaamde “ouderdomsregel”*. Dit betekende dat alle ambtenaren ouder dan 60 jaar verplicht op pensioen dienden te gaan. Ongeveer 2.500 ambtenaren, provincie- en gemeenteambtenaren, burgemeesters en schepenen werden door de maatregel uit hun functie ontheven. Bij de secretarissen-generaal kon het MB met de ouderdomsverordening drie weerspannige figuren (Delmer,De Jonghe en Castiau) uit het comité van secretarissen-genraal verwijderen. Veelal moesten de secretarissen-generaal toegeven aan het MB, België was immers afhankelijk van Duitsland qua voedselbevoorrading, anders dreigde er hongersnood. Mocht bovendien de Belgische “overheid” tegenstribbelen riskeerde men de vervanging van het MB door een ZB* (Burgerlijk Bestuur) dat veel harder zou optreden. Waar Reeder niets aan veranderde, was de structuur van de Belgische staat. Zo voerde hij geen bestuurlijke scheiding door (zoals tijdens WO I), maar behield de eenheid van België. Dit was zijn inziens belangrijk voor de economische exploitatie van het land. Pas vanaf 10 januari 1941 reageerde de Belgische regering in ballingschap in Londen en vocht de grondwettelijkheid van de genomen beslissingen in ons land aan en begon ze zich te distantiëren van de politiek van het minste kwaad. In april 1941 eigende het MB zich het recht toe een veto te stellen bij elke benoeming van de overheidsdiensten (staat , provincie , arrondissement , gemeente en centrale diensten ). De politiek van het minste kwaad verhinderde de bezetter niet, zijn voeten te vegen aan de wettelijke organisatie in ons land en aan de Conventie van Den Haag . Vanaf de invoering door de Duitsers van de verplichte tewerkstelling in Duitsland, zagen we eind 1942 een algemene kentering in het gedrag van vele ambtenaren, ze probeerde de bureaucratie te vertragen door passief verzet te plegen en er ontstond een zekere vorm van administratieve ongehoorzaamheid. Maar door de uitgevaardigde verordeningen was er dan al veel kwaad geschied. Bovendien bleven de Duitsers ongestoord hun wil opdringen aan de secretarissen-generaal en aan de Belgische administratie zodat ze op de duur de speelbal werden van de bezetter. Bijgevolg verloor de administratie tijdens het verloop van de bezetting zijn “wettelijkheid” tov. de bevolking en van zijn ondergeschikten. Door zijn handig optreden had Reeder er voor gezorgd dat het bij de bevolking de indruk wekte dat alle onpopulaire maatregelen, die de bezetting met zich meebracht, werden uitgebracht door de Belgische secretarissen-generaal zelf. Om zich juridisch te verantwoorden voor enige vorm van samenwerking met, of het inwilligen van illegale eisen, door het militair bestuur gebruikte de Belgische administratie de concepten ,“overmacht ”of “ opgevorderd” (indien het onder dwang van de Duitsers plaats vond). Sommige secretarissen-generaal probeerden zich zo weinig mogelijk te roeren om zich na de oorlog niet te “verbranden”. Opmerkelijk was, dat tijdens de naoorlogse repressie*, weinig secretarissen-generaal veroordeeld of vervolgd werden, terwijl vele kleinere vissen daarentegen, zoals burgemeesters en schepenen wel hun deel  kregen qua vonnissen. Voor wat gedurende de bezetting de administratie in de magistratuur betrof, kunnen we stellen dat het gerechtelijk kader eveneens bewust probeerde zijn verantwoordelijkheid zoveel mogelijk te ontlopen. Na de oorlog zou men beweren dat de Belgische administratie slechts “passief collaboreerde”, maar dit strookt niet met de realiteit. In werkelijkheid ging het om , door de bezetter opgelegde verordeningen en maatregelen die veelal , “correct” en “loyaal” werden uitgevoerd. Wetenschappelijk onderzoek in het begin van de 21eeeuw bevestigt het vermoeden dat een groot deel van de Belgische overheid en administratie, tijdens WO II actief deelnam aan het identificeren en lokaliseren van joden en zigeuners in ons land. Dit maakte het voor de bezetter een stuk gemakkelijker om ze daarna te deporteren. Onze ambtenaren gingen hier in de fout door geen of veel te weinig verzet te plegen , ging het hierbij om gebrek aan moed , uit angst , uit defaitisme of uit onwil ?.

.

Een reactie achterlaten

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *