ABWEHR : inlichtingen- en veiligheidsdienst van het Duitse leger (Wehrmacht) ressorterend onder het Oberkommando der Wehrmacht (OKW). De Abwehr bezat het monopolie over de militaire inlichtingen. De dienst werd in 1935 heropgericht en stond onder leiding van admiraal W.Canaris* met hoofdzetel in Berlijn . De Abwehr onderhield een nauwe samenwerking met het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken om inlichtingen over het buitenland in te winnen . Vele vooraanstaande medewerkers van de Abwehr waren tegenstanders van het naziregime. De Abwehr had drie belangrijke functies en werd onderverdeeld in :
Afdeling I : spionage (olv.kol.Piekenbrock en later kol.Hansen) met onderafdelingen voor het landleger, de luchtmacht , de marine en de economische oorlogvoering.
Afdeling II : sabotage, propaganda en subversieve acties zoals het uitlokken van opstanden tegen het gevestigde gezag (olv.maj.Groscurth , later kol.Lahousen* en kol.Freytag- Loringhoven). De struktuur van deze afdeling werd onderverdeeld in
twee secties , de ene hield zich uitsluitend bezig met sabotage en de andere was meer gericht op het opsporen van Duitsgezinde minderheden in de te veroveren gebieden.
Afdeling III: contraspionage (olv.maj.Bamler en later kol.von Bentivegni).
Afdeling Z : stond in voor de administratie, het personeel en de financiën (olv.gen.maj.Oster* , later kol.Jakobsen).
Afdeling G : die zich specifiek bezig hield met het maken van valse documenten en met het gebruik van onzichtbare inkt.
Vóór de oorlog zocht de Abwehr contact met wat zij aanzagen als “minderheden” in Europa zoals oa. de Bretoenen in Frankrijk , de IRA in Ierland , Oekraïeners, Sudetenduitsers , Zuid-Tyrolers en Vlamingen en inwoners van de Oostkantons in België. Belangrijke successen tijdens WO II behaalde de Abwehr met het oprollen van Die Rote Kapelle (het Rode Orkest*) en het opzetten van het Englandspiel*. Gedurende de ganse oorlog bestond een rivaliteit tussen de Abwehr en de door de nazipartij gesteunde Sipo-SD* van de SS* (olv.R.Heydrich en na diens dood W.Schellenberg). Canaris en veel van zijn medewerkers (o.a. H.Oster, Groscurth, Hansen, Lahousen en H.von Dohnanyi) vormden vanaf 1943 een kern van verzet tegen het nazisme en tegen Hitler . Nadat de Abwehr in Duitsland bij de SS uit de gratie was gevallen , werd bij decreet van Hitler (12 februari 1944), W.Canaris uit zijn functie ontheven , de Abwehr werd ontmanteld en ingelijfd bij het RSHA* als een eengemaakte Duitse inlichtingendienst. Binnen het RSHA werd hiervoor , bij de Abteilung VI , op 14 mei 1944 een nieuwe afdeling opgericht , het Militärisches Amt. Aan het einde van de oorlog (9 april 1945 ) werden Canaris en Oster (in het concentratiekamp van Flossenbürg ) en von Dohnanyi (in het KZ van Sachsenhausen) door de SS terechtgesteld.
NB 1 : de Abwehr beschikte over een eigen “vissersvloot” waarmee agenten voor spionage naar Groot-Brittannië konden verscheept worden.
NB 2 : de opzet van de R-Netze , netwerken die bestonden uit zogenaamde stay-behind agenten mislukte. Het was de bedoeling om in de door de geallieerden heroverde gebieden , agenten achter te laten , die regelmatig informatie zouden verschaffen aan de Duitse inlichtingsdiensten. De meeste van de agenten werden , nog voor ze aan hun taak konden beginnen , door de geallieerden al gevangen genomen. Stay-behind agenten waren niet alleen het monopolie van de Abwehr , ook bij de SD werden vanaf 1943 agenten opgeleid als stay-behinds.
ABWEHR IN BELGIË : voor WO II was het vooral de Abwehrstelle ( = Abwehr-afdeling) uit Münster , die voor militaire inlichtingen en contraspionage geïnteresseerd was in de werving en opleiding van Belgische spionnen en agenten. De recrutering gebeurde dikwijls door Duitse douaniers aan de grens rond Aken of soms met doodgewone aankondigingen, voor zeer gunstige Duitse kredieten , die te lezen waren in Belgische kranten. Eén van de Abwehr-officieren die verantwoordelijk was voor het vorderen van agenten in België was kapitein Hans Rumpe*. Met de hulp van lokale agenten en van de Belgische veiligheidsdienst (!) (die het gemunt had op ongewenste communisten) slaagde de Abwehr erin ,om op het einde van 1939 een lijst (een Sonderfahndungsliste) aan te leggen van Duitse emigranten in België . Aan de hand van deze lijst kon de Abwehr reeds voor WO II , 350 Duitse subversieve immigranten (lees : joden en communisten) in ons land lokaliseren. De Abwehr werd officieel in België (met ca. 300 manschappen) geïnstalleerd als “Abwehrstelle (AST) Belgien” vanaf 23 mei 1940. De eerste Abwehr-officieren kwamen reeds op 17 mei 1940 te Brussel aan en hielden zich de eerste weken bezig met het opsporen en repatriëren van de Duitsers en Belgen die door de Belgische justitie op de spooktreinen* richting Frankrijk waren weggevoerd. Vanaf juni 1940 vestigde het hoofdkwartier van de Abwehr zich in de Wetstraat nrs.61-65 te Brussel , ze werkte autonoom en stond onder de bevoegdheid van het OKW (Abwehr-Ausland). De Abwehr kreeg zijn bevelen rechtstreeks uit Berlijn , en was niet ondergeschikt aan de Kommandostab van het MB in Brussel , maar stond er dmv. een verbindingsofficier wel in nauw contact mee . Als bijzondere gevangenis van de Abwehr fungeerde de gevangenis van de rijkwachtkazerne te Etterbeek en nadien de gevangenis van Sint-Anna in Laken. De achtereenvolgende leiders van de AST Belgien waren: luitenant-kolonel L.Dischler (tot eind mei 1941), kolonel K.Servaes (tot april 1943) ,kolonel F.Hintermayer (tevens waarnemend leider en chef van de afdeling III) en kolonel E. Stolze (tot augustus 1944). De AST Belgien bezat “bijhuizen” , zogenaamde “Aussenstellen” in Antwerpen, Mons, Charleroi, Namen , Luik en Gent. Tijdens de bezetting werden in eerste instantie agenten gerekruteerd om spionageopdrachten uit te voeren in Groot-Brittannië en Amerika. Vanaf 1943 ging men over op de vorming en opleiding van “stay-behind”* agenten. De Abwehr I telde in ons land , te Brussel 93 agenten en was vooral gericht op militaire spionage tov. Groot-Brittannië . De afdeling Marine-Abwehr telde 13 agenten en was gevestigd in Antwerpen. De Abwehr II bestond uit ca. 50 man en had als doel sabotage te verrichten in Engeland. Ons land werd als het ware beschouwd als een springplank naar Groot-Brittannië .In het begin van de bezetting werden in de zomer van 1940 “invasie-agenten” naar Engeland gestuurd (geparachuteerd of per vissersloep afgezet) om een mogelijke aanval op het eiland voor te bereiden. Het ging meestal om Duitse agenten , maar er werden ook ca. 15 Belgen vanuit Franse havens met vissersboten naar Engeland gestuurd om er spionageopdrachten te vervullen of om op zee inlichtingen in te winnen over geallieerde konvooien. Het hele opzet werd een fiasco , want buiten enkele uitzonderingen , werden alle agenten bij hun aankomst (of kort daarna) in Engeland gearresteerd. Om hun leven te redden waren een aantal bereid , onder Britse controle, valse berichten naar Duitsland te sturen (dit was het “double cross XX system”).Nadat de invasie van Groot-Brittannië door Hitler op 17 september 1940 werd uitgesteld werden er gedurende de oorlog nog agenten (waaronder ongeveer 50 Belgen) gestuurd om op de hoogte te blijven van de resultaten van de Duitse bombardementen en om de acties van de Britse handelsvloot en onderzeeërs te achterhalen. Zij bereikten Engeland via Frankrijk, Spanje en Portugal of door zich als vluchtelingen of weerstanders voor te doen en met een ontsnappingslijn naar Engeland uit te wijken .Na het opdoeken van de AST-België (in de lente van 1944) werden diens activiteiten en diensten in België niet opgenomen in de Sipo-SD (zoals vanaf februari 1944 in Duitsland) , maar overgenomen door de eenheden van de FAK* 130, 213 en 307 (FAK = Frontaufklärungskommando) , die afhingen van de Leitstelle West für Frontaufklärung in Parijs met als “commissaris” voor België lt.kolonel J.Rohleder. In 1945 werd het geheel een onderdeel van het Kommando des Meldegebietes KdMG Wiesbaden.
. Abwehr I (spionage en inlichtingen) was reeds vóór 10 mei 1940 in ons land actief , voor elke afdeling stuurde de Abwehr Duitse agenten naar België om te spioneren en Belgische agenten te rekruteren en om op te leiden. Er waren vier Abwehrstellen bij betrokken : Hamburg (met de antenne Bremen), Wiesbaden , Stuttgart en Münster (met antennes Keulen en Düsseldorf). De meest vertegenwoordigde afdelingen waren deze uit Münster en Hamburg , deze laatste was vooral operationeel in Antwerpen , dat door de haven , een draaischijf van internationale ontmoetingen en spionage werd. Antwerpen bezat tevens een grote kolonie Duitsers en veel Duitse rederijen en expeditiebedrijven waren er vertegenwoordigd. De aanwezigheid van een consulaat-generaal te Antwerpen speelde ook in de kaart van de Abwehr om er zich te ontwikkelen. De Abwehr verzamelde in de havenstad inlichtingen over scheepsbewegingen , bestemming en lading van schepen zodat ze eventueel door Duitse onderzeeërs konden onderschept worden. De afdeling Hamburg legde zich vooral toe op inlichtingen uit Engeland. In totaal zouden ca. 120 Abwehr-agenten (Belgen , Nederlanders , Fransen en Duitsers ) voor de Duitse inval in ons land actief geweest zijn .Om zijn werk te verrichten en in het geheim in België te infiltreren gebruikte de Abwehr verschillende dekmantels. Meestal ging het om commerciële dekmantels zoals handelsvertegenwoordigers en personen op zakenreis , die ambtshalve ons land aandeden of om Duitse schijnbedrijven die zich hier vestigden . Daarnaast werden als dekmantels ook vernoemd : de Auslands-Organisation* (AO) van de NSDAP , de Duitse oorlogsgravencommissie (de tuinlui en bloemenhandelaars voor het onderhoud van de Duitse militaire kerkhoven in België en Noord-Frankrijk), het Duitse Nachrichtenbüro (olv.W.Körber) , de Duitse Heuerstelle (aanwerving) van zeelieden in Antwerpen en vanzelfsprekend de Duitse gemeenschap (vooral in Antwerpen en Gent ) die reeds van vroeger in ons land woonde. Ook niet te onderschatten waren de Abwehr-agenten, die als student voor WO II , deel uitmaakten van de zogenaamde onderwijs- en studie uitwisselingen tussen België en Duitsland. Van groot belang voor de Abwehr waren de Duitse consulaire en diplomatieke diensten waarmee ze hun activiteit “geruisloos” konden ontplooien . Hierbij was de Duitse militaire attaché in ons land van primordiaal belang , alsook het Duits consulaat-generaal in Antwerpen. De belangrijkste factor op dit gebied was de geheime installatie in september 1938 van de ” Kriegsorganisation voor België* “ in de Duitse ambassade te Brussel. Zij stond in voor de algemene werking van het spionagenetwerk . Via in België wonende Duitsers en Belgische Abwehr-agenten werd vóór mei 1940 vanuit ons land vooral tegen Frankrijk gespioneerd en werden tevens inlichtingen over het Belgisch leger ,zoals versterkingen en troepenverplaatsingen doorgeseind. Eén van de allereerste vooroorlogse contacten van de Abwehr met België vond plaats in november 1929, toen zocht de Abwehrstelle van Münster de Belgische handelaar Leon Kets op. Kets had tijdens WO I reeds spionagewerk voor de Duitsers in België verricht. De meeste van deze Duitse agenten werden tussen september 1939 en 10 mei 1940 door de Belgische Staatsveiligheid gearresteerd. Maar voor zijn Belgische afdeling kon de Abwehr verder beroep blijven doen op radicaal Vlaams-nationalisten. Tijdens de bezetting bestond de Abwehr I in ons land uit ongeveer 100 agenten en werd tot eind 1941 geleid door lt.kolonel W.Sensburg, daarna door majoor K.Krazer.
. Abwehr II hield zich bezig met sabotage , subversie en propaganda voor Duitsland. Door het vormen van lokale sabotagegroepen zou de Duitse inval vergemakkelijkt worden en door het voeren van subversie , hoopte men het gezag en het moreel in het Belgische leger te ondermijnen en de soldaten aan te zetten tot desertie. In ons land startte, vóór de oorlog , de Abwehr II hiervoor met drie projecten . In de Duitstalige Oostkantons organiseerden ze desertiecampagnes onder de in het Belgisch leger gemobiliseerde soldaten . Voor de uitvoering werd beroep gedaan op het Heimattreue Front*, waarvan de leden niet liever wilden dan terug bij Duitsland ingelijfd te worden. Terwijl voor de financiering van de deserteurs en hun familie volledig door de Abwehr zelf werd gezorgd, hielpen de Heimattreuen , naast het verzamelen van militaire inlichtingen (vooral van defensieve grensopstellingen van het Belgisch leger) ± 150 soldaten uit het Belgisch leger te deserteren en over de Duitse grens te brengen . Daar werden de meesten ingelijfd bij het speciale commando van de Wehrmacht : de Brandenburgers*. Door hun kennis van de streek zouden zij de Duitse inval in het oostelijk deel van ons land vergemakkelijken. Een tweede zaak waar de Abwehr bij betrokken was , was de oprichting binnen het VNV* van de MO* (Militaire Organisatie). Zo had VNV-leider , Staf De Clercq* reeds in 1934-35 contacten met Abwehr-agenten maj.Marwede* en lt.Scheuermann* . De MO zou, in geval van een Duitse inval, moeten zorgen voor sabotage en subversie (deserties) in het Belgische leger. Een derde project betrof het ontstaan van een sabotagegroep in en rond Antwerpen. De zogenaamde groepering Hercules* , bestond uit een 20tal Vlaams-nationalisten waarvan er zes , samen met Brandenburgers, deelnamen aan de sabotage op 27 mei 1940 van de sluizen in Nieuwpoort. Dit om te beletten dat de sluizen niet zouden opengezet worden teneinde een overstroming zoals in WO I (1915) te voorkomen en die de opmars van het Duitse leger naar Frankrijk zou vertragen.
Net voor de Duitse inval werden door de samenwerking van de Franse , Britse en Belgische contraspionage verschillende Abwehr-agenten in ons land ontmaskerd en gearresteerd. In maart-april 1940 werden in Brussel de Abwehr-agenten R.Schneeweiss (alias Hauptmann R.Schwartz , op 18 april 1940) en O.Trees* (op 3 maart 1940) opgepakt , Schneeweiss werkte voor de Abwehrstelle Münster. Later werden twee Nederlandse agenten : W. Van de Loo en J.Van den Plas gearresteerd. De Belgische kapper J.De Bruyn liep tegen de lamp in april 1940 (hij verkocht militaire inlichtingen aan Frankrijk en Duitsland). Eveneens in april 1940 werd wielrenner W.Miethe* opgepakt, een Duits zesdaagse-kampioen en verdacht van spionage. Zo ontstond het gerucht dat militaire geheimen , verborgen in de fietsen van Belgische wielrenners Duitsland bereikten. Een officier (lt.J.Dombret*) van het Belgisch leger , werkende bij de dienst cartografie , had tussen 1937 en 1939 contacten met de Abwehr-antenne van Keulen. Al deze voorvallen en geruchten droegen er toe bij dat net vóór en na 10 mei 1940 er in België een duidelijke angst voor spionnen en een vrees voor een vijfde kolonne* ontstond (“de spionitis”) .En geruchten waren er genoeg tijdens die dagen : wat stond er aan de achterkant van de Pacha-reclameborden*? Hoe kwam het dat Eben-Emael* en de bruggen over het Albertkanaal zo vlug veroverd werden ? Waren er spionnen en verraders in eigen rangen?. Gedurende WO II werd de Abwehr II , in België achtereenvolgens geleid door , majoor Marwede* (tot eind 1940) , E.Marquardt (tot juni 1942) , terug Marwede (tot eind 1942), R.Spiess (Rittmeister Spiess) en tenslotte Korvettenkapitän Muller. Na december 1944 werd de Belgische Abwehr II opgeslorpt door het Miltärisches Amt van het RSHA .
. Abwehr III vormde de grootste eenheid met 272 agenten (waaronder 52 vrouwen) , zij zorgde oa. voor de infiltratie en het oprollen van ontsnappingslijnen (door de onderafdeling C 2 van de Abwehr III) en inlichtingendiensten van het verzet. Ze stond tijdens de bezetting in ons land onder de leiding van lt.kolonel H.von Engelmann (tot 1942) en daarna van lt.kolonel F.Hintermayer. De Nebenstelle Antwerpen van de Abwehr III was de voornaamste. Zij telde in Antwerpen 96 agenten (waaronder 17 vrouwen) en stond onder de leiding van oa. de Duitsers Karl Ulrich en Albert Schulzke , die voor de oorlog in ons land al actief waren als Abwehr-agenten. Zoals reeds vermeld was Antwerpen vóór 10 mei 1940 de draaischijf van Duitse spionage in België. De grootste onderafdeling van de Abwehr III was de sectie III F (Feindbekämpfung) die de strijd aanging met de verzetsgroepen . Ze werd geleid vanuit de Abwehrstelle Münster en stond olv.majoor Rudolf Schneeweiss. Zijn adjunct , Hauptmann Kleinschmidt werd vanaf mei 1940 (tot eind 1941) de eerste chef van de afdeling in Brussel , deze laatste werd daarna opgevolgd door majoor G.Möhring . De eenheid die zich bezig hield met het lokale Englandspiel* stond olv. de Belg J.Vranken* (alias Bonap). De executieve van de Abwehr was de GFP* de Geheime Feldpolizei van de Kommandostab van het militair bestuur .De contraspionage afdeling van de Abwehr deed in ons land beroep op zogenaamde vertrouwenspersonen (V-Leute*). Dit waren Belgische spionnen in dienst van de Duitsers die verzetsgroepen infiltreerden om alzo deze organisaties te onthoofden en op te rollen. Een “meesterspion” op dit vlak was de in België beruchte Prosper Dezitter*.
Naast de onderafdelingen C 2 en F , had de Abwehr III o.a. nog het bureau M (of dienstelle Robert) in ons land ,deze was afhankelijk van de Abwehrstelle Marine (met hoofdzetel in het Franse Boulogne).In De Haan bestond er een Nebenstelle olv. kapitein Zweibaümer (alias Robert, vandaar de naam), ze stond in voor het kustgebied.
Na de integratie van de Abwehr in het RSHA ( 18 februari 1944) werd de afdeling III vervangen door Frontaufklärungskommandos (FAK). Deze mobiele commando’s stonden onder leiding van de plaatselijke Wehrmachtautoriteiten. De FAK 307 te Brussel werd vanaf maart 1944 geleid door H.Giskes en had zijn hoofdkwartier in het hotel Metropole.
Toen gedurende het verloop van de oorlog bleek dat de winstkansen van Duitsland verminderden , schakelde de Abwehr in alle bezette gebieden vanaf 1943 over tot het stichten van “R-Netze”. Dit waren “stay-behinds”*, achterblijvende agenten die in geval de Duitse troepen zich uit het land zouden terugtrekken , ter plaatse bleven in de door de geallieerden heroverde gebieden. Zo konden de Duitsers op de hoogte blijven van de geallieerde troepenconcentraties , de ravitaillering ,de gemoedstoestand en publieke opinie van de bevolking en van de resultaten van de afgevuurde V-wapens. In totaal bleven er , na de bevrijding van ons land , meer dan 100 agenten in België .Na september 1944 rekruteerde de Abwehr (toen reeds overgenomen door de SS) , agenten onder de Belgische collaborateurs , die naar Duitsland gevlucht waren .De bedoeling was ze in bevrijd België te parachuteren zodat ze een mogelijke terugkeer van het Duits leger konden voorbereiden. De organisatie kreeg als naam “commando Olga” en werd mede met de hulp van vooraanstaande VNV-ers (K.Lambrechts* en C.Turcksin*) opgezet. Slechts twee van de gevormde groepen (groep Breydel* en groep Belfried*) bereikten België. Om sabotage te plegen werd hen de locaties toevertrouwd waar de Abwehr vóór het verlaten van ons land , geheime munitiedepots hadden opgeslagen . Verder moesten ze zich in verbinding stellen met het “witte maquis”* , een ondergrondse van collaborateurs die de repressie hadden kunnen ontlopen. Zo’n organisatie bestond in België helemaal niet en het getuigde alleen van het feit dat de Abwehr , na de bevrijding ,niet goed op de hoogte was van de toestand in ons land. Bovendien kregen de in België gedropte agenten als taak premier Pierlot , minister van justitie Verbaet en de auditeur-generaal Ganshof van der Meersch te vermoorden. Het was een duidelijke wanhoopstrategie van de Abwehr die geen enkel resultaat opleverde , want niemand van de gedropte agenten kwam ertoe ook maar een actie op te starten.
Wat de motivering betrof van de Belgen die voor de Abwehr gingen werken , stond bij de meesten geldgewin op de eerste plaats . En aan geld ontbrak het de Duitsers niet , ze betaalden zeer goed en veel , bovendien kwam het geld uit de bezettingskosten en draaide de Belgische belastingbetaler op voor de kosten. Weinige landgenoten traden tot de Abwehr toe uit zuiver ideologische redenen .
Als ALGEMEEN BESLUIT kan men stellen dat de Abwehr in België , de werking van de groep III buiten beschouwing gelaten , als een fiasco kan beschouwd worden en geen enkele invloed had op het verloop van de Duitse oorlogsvoering. Er werden wel veel agenten gerekruteerd, maar naast de deserties georganiseerd door het Heimattreue Front in de Oostkantons en de enkele verdiensten van de Antwerpse groep Hercules kan de invloed van de Militaire Organisatie van het VNV als ondermaats beschouwd worden.